La recherche du mot opmaken a 20 plusieurs résultats
NLNéerlandaisFRFrançais
opmaken[geld]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
dissiper[geld]
  • aient dissipé
  • aies dissipé
  • dissipent
  • dissipes
opmaken[opgebruiken]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
gaspiller[opgebruiken]
  • aient gaspillé
  • aies gaspillé
  • gaspillent
  • gaspilles
opmaken[geld]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
gaspiller[geld]
  • aient gaspillé
  • aies gaspillé
  • gaspillent
  • gaspilles
opmaken[schoonheidsverzorging]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
maquiller[schoonheidsverzorging]
  • aient maquillé
  • aies maquillé
  • maquilles
  • maquillent
opmaken[geld]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
engloutir[geld]
  • aient englouti
  • aies englouti
  • engloutisses
  • engloutissent
NLNéerlandaisFRFrançais
opmaken[opgebruiken]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
gâcher[opgebruiken]
  • aient gâché
  • aies gâché
  • gâchent
  • gâches
opmaken[geld]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
gâcher[geld]
  • aient gâché
  • aies gâché
  • gâchent
  • gâches
opmaken[opgebruiken]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
dépenser[opgebruiken]
  • aient dépensé
  • aies dépensé
  • dépensent
  • dépenses
opmaken[geld]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
dépenser[geld]
  • aient dépensé
  • aies dépensé
  • dépensent
  • dépenses
opmaken[opgebruiken]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
dissiper[opgebruiken]
  • aient dissipé
  • aies dissipé
  • dissipent
  • dissipes
opmaken[beslissing]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
déduire[beslissing]
  • aient déduit
  • aies déduit
  • déduisent
  • déduises
opmaken[drukken] faire la mise en page[drukken]
opmaken[bed]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
faire[bed]
  • aient fait
  • aies fait
  • fassent
  • fasses
opmaken[opgebruiken]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
consumer[opgebruiken]
  • aient consumé
  • aies consumé
  • consument
  • consumes
opmaken[geld]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
consumer[geld]
  • aient consumé
  • aies consumé
  • consument
  • consumes
opmaken[opgebruiken]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
épuiser[opgebruiken]
  • aient épuisé
  • aies épuisé
  • épuises
  • épuisent
opmaken[geld]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
épuiser[geld]
  • aient épuisé
  • aies épuisé
  • épuises
  • épuisent
opmaken[opgebruiken]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
user[opgebruiken]
  • aies usé
  • aient usé
  • uses
  • usent
opmaken[geld]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
user[geld]
  • aies usé
  • aient usé
  • uses
  • usent
opmaken[beslissing]
  • opgemaakt
  • maakt op
  • maken op
  • maakte op
  • maakten op
inférer[beslissing]
  • aient inféré
  • aies inféré
  • infères
  • infèrent

Néerlandais Français traductions

NLSynonymes pour opmakenFRTraductions
schminken[grimeren]maquiar
opgebruiken[opeten]absorver
verbruiken[opeten]consumir
verteren[opeten]pirar
verven[schminken]ntingir
opstellen[gereedmaken]fazer formação
samenstellen[gereedmaken]montar
concluderen[afleiden]concluir
opsieren[tooien]embelezar
sieren[tooien]decorar
versieren[tooien]nadular
opsmukken[tooien]decorar
interpreteren[begrijpen]interpretar
opvatten[begrijpen]interpretar
lezen[begrijpen]nser interpretável
invullen[uitschrijven]preencher
grimeren[maquilleren]maquiar
verbrassen[verkwisten]esbanjar
verspillen[verkwisten]desperdiçar
consumeren[verbruiken]consumir